|
Start
De Werkgroep
Historisch spreekuur
Foto van de maand
Nieuws
Winkel
Jaarverslagen
Aanwinsten
Collectie
Vraag&antwoord
Links
| |
Jaarverslag 1991
Een mishandeling door Baljuw Knol
De straten nabij het winkelcentrum "Vliethof zijn op een enkele na genoemd naar Naaldwijkse
regenten, omdat ook Wateringen tot hun rechtsgebied behoorde. Adeldom verplicht. Jammer genoeg maakten niet al deze bestuurders dit spreekwoord
waar.
Zo'n bestuurder die het in Wateringen wel heel erg bont maakte, was Izaak Knol.
Op 9 september 1678 verschenen in de herberg "De vergulde Roskam", tevens de vergaderplaats van de Wateringse
schepenen, Cornelis Gijssen van der Valck in gezelschap van 6 dorpsgenoten. Hij was door de baljuw en zijn zoon mishandeld en wilde deze gebeurtenis schriftelijk
vastleggen. Deze verklaring kon bij een mogelijk later te voeren proces gebruikt
worden. Deze verklaring werd afgelegd voor de schepenen Dirck Jansz. Warbout en Jan
Evertsz. Hensbrouck. Daar het geen aanklacht was, hoefde schout Paulus Thierens er niet bij tegenwoordig te
zijn.
Het slachtoffer was Cornelis Gijsen, bode van Wateringen. De volgende getuigen waren met hem
meegekomen, om zijn verhaal te bevestigen.
Aert van Strijp , oud 28 jaar
Cornelis Willem van Geest, oud 40 jaar
Meester Kruyck , oud 37 jaar
Jannetie Aertse , oud 24 jaar
Maertie Jans , oud 22 jaar
Crijn Engelen Overwater , oud 37 jaar
Allereerst stelden de schepenen vast, dat allen meerderjarig waren. Vervolgens werd het relaas van het
slachtoffer, Cornelis van der Valck, opgenomen.
Cornelis vertelde, dat hij op dinsdag 8 april 1678 van plan was met zijn vrouw uit te
gaan. Die morgen tussen 9 en 10 uur, zei Cornelis tegen haar -zij stond voor de
spiegel-: Maertie, maak je gauw gereed om naar Den Haag te gaan, ik zal alvast het paard
inspannen.
Ondertussen was baljuw Knol binnengekomen, vergezeld van zijn beide zoons:
Crispijn, die als soldaat diende in het regiment van Zijn Hoogheids garde en
Izaak, zijn andere zoon.
Baljuw Knol zei tegen Cornelis Valck: Gij wilt met geen schelmen te doen hebben, zo ge
zegt.
Cornelis verweerde zich met te zeggen: Heer officier, ik heb dat nooit gezegd, waarop de baljuw
antwoordde, dat Aert van Strijp het hem had verteld.
Daarop kwam Aert van Strijp binnen. Cornelis vroeg hem, of hij de baljuw voor een schelm had uitgemaakt en of hij dit de baljuw had
verteld. Van Strijp antwoordde, dat hij dit niet had gehoord en ook niet aan de baljuw had
gezegd.
De baljuw zei, dat hij het zelf had gehoord de vorige avond, toen hij aan het venster geluisterd had. Daarbij gebruikte hij vele scheldwoorden tegen Cornelis van der
Valck.
De eerste getuige Aert van Strijp, verklaarde, dat hij gezien had hoe de zoon van de
baljuw, Crispijn Knol, met de getrokken degen in de hand Cornelis van der Valck
bedreigde. Daar hij ongelukken wilde voorkomen had hij tegen Crispijn gezegd: Laat
dat, doe dat niet en dreig niet! Maar Crispijn snauwde hem toe: Wat gaat jou dat
aan, waar bemoei je je mee, blijf van mijn lijf! Daarna verliet Van Strijp het
huis.
De tweede getuige, Cornelis Willemse van Geest, was op het roepen: Moord, moord, help! van de
vrouw en de meid van Cornelis van der Valck naar diens huis komen lopen en had door het venster
gezien, dat de zoon van baljuw Knol in de keuken stond en met zijn degen naar Cornelis van der Valck geslagen had.
De derde getuige, Meester Kruyck, verklaard ook het roepen van "Moord,
Moord", gehoord te hebben. Hij wist niet wat dat te betekenen had en liep naar het huis van de klager en zag baljuw Knol met zijn zoon in de keuken
staan. De deur was gesloten, maar hij zag door het venster hoe Crispijn met zijn degen naar Cornelis van der Valck sloeg en dat Van der Valck met een neusdoek het bloed van zijn gezicht veegde en ook dat de baljuw schopte en
sloeg.
Jannetie Aertse, de vierde getuige zei, dat ze om een briefje kwam aan het huis van de bode. Zij liep tot aan de
keuken. Daar zag zij Crispijn Knol met de degen in zijn hand. Baljuw Knol snelde op haar toe en duwde haar ruw de deur
uit, onder 't zeggen van: Labbekont, schijtkont, moerekont, jouw varken, je hebt hier in huis niets te
zoeken. Toen sloot hij de gangdeur, en ging zij weg.
De vijfde getuige, Annetie Jans, was achter het huis. Toen zij hoorde roepen is zij van achteren naar voren gelopen tot in de keuken en daar zag daar de baljuw en zijn zoon
Crispijn, die met zijn degen sloeg. Zij zei toen: Ziet wat jullie doen, er is een zwangere vrouw in
huis. Crispijn Knol antwoordde daarop: Daar heb ik schijt aan, hij hoeft mijn vader voor geen schelm uit te
maken.
Daarop zei Van der Valck: Gij liegt. Crispijn gaf hem daarna een zware klap in zijn
gezicht. Baljuw Knol die een kommetje in zijn handen had, smeet dit aan stukken en kwam zijn zoon te
hulp, die zijn degen krom geslagen had en deze met zijn voeten recht boog.
De zesde getuige, Crijn Engelen Overwater, die op het huis van de bode was komen
aanlopen, ontmoette daar baljuw Knol. Deze zei tegen hem: Hebt gij niet wat nieuws
aangehoord, dat ik "spul" heb met Cornelis Gijsse?
Crijn antwoordde: Nee, dat heb in niet gehoord. Wat zou ik gehoord hebben?
De baljuw zei daarop: Mijn zoon heeft hem duchtig aan zijn tabberd geweest, zodat het rode zweet er op
volgde.
Crijn Engelen antwoordde daarop: 't Is maar met vuisten geweest, denk ik
mijnheer?
Neen, zeide de baljuw, met de degen, zo moet men de kraaiers buigen.
Hier eindigen de verklaringen van de getuigen. Op de vraag van de schepenen of zij op deze
getuigenissen, als het nodig was, later in de raadkamer een eed wilde doen, werd bevestigend
geantwoord.
Of het tot een proces gekomen is? Daarover zwijgen de Wateringse
gerechtsstukken.
F.C. Groen.
|